Taal draait om betekenis: de betekenissen van woorden en geordende
verzamelingen van woorden die andere personen aan ons overdragen, en
die die wij zelf aan anderen willen en weten over te dragen.
Dat gebeurt door middel van hoorbare klanken in de gesproken taal, en
door middel van zichtbare tekens in de geschreven taal.
Verschillen tussen die klanken en tekens zijn pas relevant als zij de
overdracht van de bedoelde betekenis in de weg staan.
Is dat niet het geval, omdat twee klanken of tekens te weinig
verschillen, of omdat ze verschillen in
'n opzicht dat er niet
toe doet, dan kunnen we wat de semantiek betreft tevreden zijn.
Wanneer de betekenisoverdracht via klanken plaatsvindt, is er geen
fonetische, maar 'n fonematische precisie vereist, waarbij
we stellen dat twee klanken 'hetzelfde' zijn als het systematisch
gebruik van de ene in plaats van de andere klank of variant niet
leidt tot 'n verschil in betekenis van 'n woord.
Wat puur fonetisch gesproken twee of meer klanken zijn, is dan
een foneem.
(Er is ook 'n tegenhanger in de geschreven taal, namelijk het grafeem,
het kleinste stukje schrift dat 'n klank weergeeft.
Beide worden wel "de bouwstenen van taal" genoemd, maar terwijl de
definitie van foneem op geen enkele wijze naar de geschreven taal
verwijst, verwijst die van grafeem wel naar de gesproken taal.
Het primaat ligt dus echt bij het foneem.)
Om te bepalen hoe breed 'n fonematische klank of hoe groot 'n fonematische
klankgroep is, gebruikt men minimale paren, d.w.z. woorden die
maar in een klank van elkaar verschillen.
'n Voorbeeld is het paar kind versus kient (van het
werkwoord kienen), waarvoor je het verschil tussen de korte
i en de lange ie moet kunnen horen en uitspreken.
Komt dat klankverschil niet overeen met 'n verschil in betekenis, of met
'n verschil tussen betekenis hebben en geen betekenis hebben, dan
behoren fonetisch gezien verschillende klanken tot hetzelfde foneem; komt
dat daarmee wel overeen dan behoren ze tot verschillende fonemen (of
helemaal niet tot enig foneem).
Dit is zo, ongeacht wat de fonetische details zijn, ongeacht
of het foneem in 'n beklemtoonde of onbeklemtoonde lettergreep voorkomt,
ongeacht wat de spelling van de klanken of woorden is, en
ongeacht wat de situatie is in andere talen!
Net als een zwaluw nog geen zomer maakt, vereist 'n bewijs van
'foneemschap' ook meer dan een voorbeeld.
Je kunt wel beweren dat de f in fier en de v in
vier voor twee verschillende fonemen staan, omdat fier
niet hetzelfde betekent als vier, maar als dit het enige minimale
paar is zonder 'n vreemd woord of 'n eigennaam erbij te betrekken, dan
kunnen beide woorden nog even goed als homoniemen beschouwd worden met
hetzelfde foneem op de plaats van de f en van de v.
Houd daarbij rekening met het feit dat in de uitgang ief van 'n
woord zoals integratief het laatste foneem beklemtoond is, en in
de verbogen uitgang ieve van integratieve het
een-na-laatste foneem juist weer niet, en dat de klemtoon noch de
spelling mogen bepalen wat het foneem is.
(Terwijl de spelling hierbij geen absolute rol speelt, kan het weer wel
zo zijn dat 'n traditioneel verschil in spelling duidt op 'n verschil
in waargenomen foneem, maar dan misschien wel weer een die vroeger in
'n bepaalde tijd en op 'n bepaalde plaats bestond en ter zake was, en
niet meer hier en nu.
Dat geldt ook voor Vrieslant.)
Ongetwijfeld is het International Phonetic Alphabet (IPA) het beste
systeem dat heden ten dage beschikbaar is voor fonetische notaties,
vooral in 'n interlinguistisch verband (dat net zo goed 'nationaal'
als internationaal kan zijn).
Dat IPA wordt aangeboden als 'n alfabetstelsel dat primair gebaseerd is
op het Latijnse schrift.
Helaas is dat schrift 'n freak of culture, 'n wangedrocht der
kultuur, zonder enige
inhoudelijke orde of kwaliteit, behalve, misschien, dat het (toevallig?)
iets van 'n verband lijkt te tonen tussen de stemloze/fortis
p en de stemhebbende/lenis b.
Alsof deze al of niet noodzakelijke keuze al niet betreurenswaardig
genoeg is, maakt het IPA juist geen gebruik van de mogelijkheid die
het Latijnse alfabet wel biedt om tekst met kleine letters of, om 'n
goede reden, met hoofdletters te schrijven.
Dit tweekamerig
(bicameral) systeem,
dat overal aanwezig is waar het Latijnse alfabet gebruikt wordt, leent
zich namelijk uitermate goed om het onderscheid tussen 'beklemtoonde' en
'onbeklemtoonde' fonemen mee aan te duiden.
En gelukkig maar, want na de puur individuele eigenschappen van fonemen
is de nadruk die ze krijgen, direkt of indirekt als onderdeel van 'n
lettergreep, uitermate belangrijk voor 'n goed begrip van het gesproken
woord, en de gesproken zin.
Het symbolenstelsel voor de fonemen van
Deze Taal dat ik hier introduceer
is derhalve 'n tweekamerig of
'bikameraal' alfabetsysteem:
met 'n hoofdletter geschreven heeft het foneem 'n klemtoon, met de
bijbehorende kleine letter geschreven niet, omdat de hele lettergreep
waarin het voorkomt onbeklemtoond is, of omdat het foneem zich bevindt
op 'n plek waar 'n beklemtoonde en 'n daaropvolgende onbeklemtoonde
lettergreep overlappen.
Lettergrepen in de uitspraak hoeven geen lettergrepen in de spelling te
zijn (vooral niet in het Engels).
Waar zij dat echter wel zijn, wordt de onterechte suggestie gewekt dat
'n grens tussen twee lettergrepen altijd scherp is, terwijl er 'n
duidelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen scherpe en vage grenzen
(sharp and fuzzy
boundaries).
Bij 'n vage grens is er 'n overgangsgebied omdat een of meerdere
fonemen van de vorige lettergreep in principe ook uitgesproken zouden
kunnen worden als fonemen van de volgende lettergreep.
Neem, bijvoorbeeld, het woord spelling.
Ortografisch wordt dat
ontleed als spel-ling, en dan opgedeeld in spel- en
ling als er onvoldoende ruimte over is voor het hele woord.
Fonematisch is met die verdeling niets te beginnen, want er is maar een
l in de uitspraak.
Toch is het wel zo dat er zuiver fonematisch geproken twee lettergrepen
'aanspraak kunnen maken' op de l, namelijk spel, 'n vrij
morfeem, en ling, 'n gebonden morfeem (zoals in boorling).
Hoewel de l in dit geval morfematisch helemaal bij spel
hoort, behoort hij hier fonematisch tot het grensbebied van de
beklemtoonde lettergreep spe(l) en de onbeklemtoonde lettergreep
(l)ing.
Iets heel anders is het als 'n onbeklemtoonde lettergreep (of een met
nevenklemtoon) voorafgaat aan een met 'n hoofdklemtoon, want
dan is de grens tussen lettergrepen altijd scherp in de uitspraak.
Neem het woord gespeld, dat als ge-speld afgebroken
wordt in de spelling.
Je zou je kunnen afvragen of de sp zich hier niet, net als de
l in spelling, bevindt in 'n overgangsgebied, nu tussen
gesp en speld, maar dit is niet het geval, omdat
ge of gesp relatief krachteloos is (en de e in
ge niet eens uitgesproken wordt als de e in gesp).
Het woorddeel speld heeft als 'n beklemtoonde lettergreep
vooral aan het begin, tot en met de klinker, te veel kracht om de
sp van zich af te laten snoepen.
Tussen ge en speld zal ik het fonematische koppelteken
voegen om 'n scherpe grens tussen lettergrepen in de uitspraak te
markeren; waar de grens vaag is, omdat twee lettergrepen in elkaar
overlopen, moet dat blijken uit de afwezigheid van 'n koppelteken.
Nog even zonder foneemsymbolen te gebruiken, wordt gespeld dus
ge-speld, terwijl in spellen en spelling zo'n
koppelteken achterwege blijft.
(Het is niet zo dat 'n fonematisch koppelteken niet voor kan komen na
'n beklemtoonde lettergreep die gevolgd wordt door 'n onbeklemtoonde:
in voorspelbaar, bijvoorbeeld, komt het niet alleen voor tussen
voor en spel, maar ook tussen spel en baar.
Omdat er noch van spelb noch van lbaar sprake kan zijn,
is de grens tussen spel en baar scherp.)
Hieronder volgt 'n tabel van 34 of 35 fonemen van Deze Taal, waarbij niet
uitgesloten is dat er meer zijn, afhankelijk van wat men 'n overtuigend
bewijs vindt voor de erkenning van 'n afzonderlijk foneem.
(Sommigen spreken van "ongeveer 40 fonemen".)
Elk symbool bestaat uit een of twee letters of grafemen.
Zijn het twee letters, dan komen die nooit in fonematische notatie direkt
achter elkaar voor als letters voor twee verschillende fonemen, omdat er
in zo'n geval altijd 'n koppelteken tussen die fonemen zou staan om 'n
scherpe grens tussen lettergrepen aan te duiden.
De twee O's in |OO|, bijvoorbeeld, kunnen niet de oo in
zoöfiet weergeven, want de fonematische notatie voor dat
woord is |zoo-oo-FIET| of |ZOO-|
met wat kleinere hoofdletters voor 'n zwakkere nevenklemtoon.
Ook bij de medeklinkers kan bijvoorbeeld |NG| niet staan voor de
ng in 'n woord als wangunst, want de fonematische notatie
voor dat woord is |WAN-gunst| of
|-GUNST|.
In het algemeen volg ik bij de selektie van de letters eenvoudigweg
de spelling van Deze Taal zoals zij geldt
voor individuele klanken.
'n Uitzondering is de verdubbeling van de I en de i voor
de lange ie, die volgt uit de
konsekwente toepassing van
de regel dat 'n korte klinker met een letter en de overeenkomstige lange
klinker met 'n verdubbeling van diezelfde letter geschreven wordt.
Met 'n beklemtoond foneem wordt, nogmaals, bedoeld 'n foneem in
(het voorste deel van) 'n beklemtoonde lettergreep.
Ik verdeel hierbij de klemtonen niet verder onder in sterkere hoofd-
en zwakkere nevenklemtonen.
De vertikale strepen aan weerszijden van een of twee letters duiden
aan dat het om 'n taalspecifiek fonemisch symbool gaat.
Tabel van beklemtoonde fonemen
| Foneem
met voorbeeld(en) |
| A | lat;
vgl. |AA| |
| AA | laat; vgl. |A| |
| B | bed; vgl. |P| |
| D | dak; vgl. |T| |
| E | bek; vgl. |EE| |
| EE | beek; vgl. |E| |
| EU | euvel, leukste,
sneu |
| F | wanneer |FF|=|FV| |
| FF | fier; vgl. |FV| |
| FV | vier; vgl. |FF| |
| G | ga, vergeven,
lach/lag |
| H | huis, behandelen |
| I | lid; vgl. |II| |
| II | lied; vgl. |I| |
| J | jong, bejaard,
kajuit |
| K | kok, herkiesbaar,
eik |
| L | leeg, gelukkig,
vol |
| M | muis, vermoedelijk,
om |
| N | neus,
dineren, trein |
| NG | zing, zongen,
gezongen |
| O | zon; vgl. |OO| |
| OE | oever, stoel,
taboe |
| OO | zoon; vgl. |O| |
| OU | oud, vertrouwen,
gauw |
| P | pet; vgl. |B| |
| R | rust, overreden,
uur |
| S | saai; vgl. |Z| |
| SJ | sjaal, sjuutje;
vgl. |ZJ| |
| T | tak; vgl. |D| |
| U | stuk; vgl. |UU| |
| UI | uitingen, geruild,
trui
|
| UU | stuc; vgl. |U| |
| W | wol, ouderwets,
nieuw |
| Y | eis/ijs, termijn,
kei |
| Z | zaai; vgl. |S| |
| ZJ | genre, zjuutje;
vgl. |SJ|
|
Degenen die op deze plaats 'n tabel van onbeklemtoonde fonemen
verwachten, moet ik (vooralsnog) teleurstellen, omdat zo'n tabel
(bijna) niets essentieels toevoegt, want als |X| of |XQ| het foneem is
in 'n beklemtoonde positie, dan is |x| of |xq| hetzelfde foneem in 'n
onbeklemtoonde positie.
Alleen de voorbeelden van de woorden waarin het onbeklemtoonde foneem
voorkomt zijn natuurlijk anders, of ze worden gebruikt op 'n andere
plaats of in 'n andere hoedanigheid.
(Vergelijk de m van om in het beklemtoonde bijwoord |OM|
en in het onbeklemtoonde voorzetsel |om|.)
De woorden behandelen en bejaard kunnen nu voorbeelden
zijn van het gebruik van het onbeklemtoonde |b|-foneem; de woorden
gelukkig en gezongen van het onbeklemtoonde |g|-foneem;
het woord herkiesbaar van het onbeklemtoonde |h|-foneem; enzovoort.
De onbeklemtoonde |a| komt in geen van de voorbeelden hierboven voor;
wel de onbeklemtoonde |aa|: in herkiesbaar, |her-KIIS-baar|,
in taboe, |taa-BOE|, en in kajuit, |kaa-JUIT|.
(Indien we 'n hoofd- van 'n nevenklemtoon willen onderscheiden, wordt
|her-KIIS-baar| |HER-KIIS-baar|.)
Alles wijst zich vanzelf verder uit, als men maar weet wat de of 'n
juiste uitspraak van het woord is.
Het enige wat wellicht 'n nadere toelichting behoeft, is de onbeklemtoonde
klinker in voorvoegsels zoals be en ge, en in
achtervoegsels zoals en en lijk, de sjwa.
Of het nu fonetisch geheel bevredigend is of niet, fonematisch is de
sjwa in Deze Taal gewoon het onbeklemtoonde evenbeeld van de beklemtoonde
|U|, als in dun, |DUN|, dus de |u|, als in 'n, |un|.
Het leven is niet voor niets verrukkelijk en 'vurrukkulluk' en
|vu-RUkuluk| (ook al wordt er maar een r uitgesproken, en wel
aan het begin van de beklemtoonde tweede lettergreep).
De klemtoon van 'n woord kan 'n grote rol spelen bij het begrijpen ervan.
Bedelen, |bu-DEElun|, mag niet verward worden met bedelen,
|BEEdulun|, en verspringen, |fur-SPRING-un| niet met
verspringen, |FER-spring-un|, ook al is de uitspraak van een of
twee klinkers niet volkomen gelijk.
Bij de woorden overdrijven, |oofur-DRYfun| of
|OOfur-|, en overdrijven, |OOfur-dryfun| of
|-DRYfun|, is zelfs helemaal geen verschil van
uitspraak tussen de klanken.
In het poëtische verband van wat wij al of niet als rijm ervaren,
speelt de klemtoon, los van de betekenis van de woorden, zelfs 'n
doorslaggevende rol.
Iedereen die weet wat het is, zal erkennen dat laat rijmt met
staat, en ook met inderdaad, in wat "staand rijm" genoemd
wordt, om van "mannelijk rijm" maar niet te spreken.
(Overdaad is 'n geval apart, omdat de hoofdklemtoon op de eerste
lettergreep valt, en niet op daad.
De laatste lettergreep heeft echter wel 'n nevenklemtoon, en als men die
meetelt, rijmt overdaad wel op woorden als laat,
staat en natuurlijk schaadt.)
Toch rijmen praten en zitten, die ook de laatste
lettergreep gemeen hebben, niet met elkaar omdat die lettergreep
in dit geval niet beklemtoond is, terwijl de voorafgaande lettergrepen
ook geen 'slepend rijm' kreëren, zoals bij praatten en
vergaten, of bij zitten en ritten.
De tweekamerige weergave laat dit alles heel duidelijk zien: |PRAAtun| en
|ZItun| rijmen niet, |PRAAtun| en |furGAAtun|, of |ZItun| en |RItun| wel.
Dit is eindrijm, maar iets anders is 'alliteratie' in de
onvervalste zin van het woord, waarbij het gaat om beginrijm in de
uitspraak, d.w.z. om het begin van beklemtoonde lettergrepen
van hetzelfde woord of 'n woord dat dichtbij is of 'n overeenkomstige
positie heeft.
Bij alliteratie speelt de klemtoon 'n nog grotere rol, tenminste, als zij
niet van het eenvoudige kant-en-klare type is.
Denk aan boze boeren of levendige landbouwers (maar niet aan
zoiets als het op de spelling gebaseerde chaotische chefs, dat zo
kant en klaar is dat het volslagen fout is).
Laat, |LAAT|, allitereert namelijk niet alleen met leeg,
|LEEG|, maar ook met gelegen, |gu-LEEgun|, en nog sterker met
gelaagde, |ge-LAAG-du|, omdat dan ook de beklemtoonde klinker
hetzelfde is.
Taboe, |taa-BOE|, allitereert totaal niet met tafel,
|TAAful|, maar wel met bloot, |BLOOT|, en doorbreken,
|door-BREEkun| of |DOOR-|.
De schepper van dichterlijke (delen van) werken die boven het vele
oppervlakkige rijm wil uitstijgen, kan door op bepaalde plaatsen dit
soort klankverkenningen uit te voeren met 'n schoonheid verschijnen die
zeer plezierig is.
Maar ook bij beginrijm geldt: overdaad oogt niet.
Net zoals er speciale woordenlijsten zijn voor eindrijm, zo zijn speciale
lijsten voor beginrijm of 'alliteratie' ook hard nodig voor de liefhebber,
tenminste als het gaat om alliteratie zoals dit rijm historisch opgevat
werd en/of systematisch opgevat behoort te worden.
De standaardspelling hoeft immers helemaal niet de plaats en de klemtoon
van het foneem waar het om gaat aan te duiden.
In
This Language is de behoefte aan
zo'n lijst of woordenboek nog veel groter dan in Deze Taal, omdat daar
de afstand tussen spelling en zowel elementaire uitspraak als klemtoon
interlinguistisch beschouwd abnormaal groot is.
Ruim dertig jaar geleden ben ik al begonnen met het aanleggen van zulke
lijsten in mijn
Vocabulary of Alliteration,
eveneens met gebruikmaking van door mijzelf voorgestelde taalspecifieke
bikamerale foneemsymbolen.
(In This Language staat |EE| niet voor de ee van beek, maar
voor de ee van eel; |OO| niet voor de oo van
zoon, maar voor de oo van oof of de ou van
ouzo; en de sjwa wordt daar niet weergegeven met |u|, maar met |a|.)
Voor iedereen die de bekoorlijke klanken van de gesproken, en zeker de
gezongen taal kan horen, staat het allang vast: taal draait niet
uitsluitend om betekenis.